Recuperatiestrategie door het Hof en het Franstalig establishment van de Vlaamse bovenlaag
Publicatie: 18 november 2005
De Flamenpolitik van het Establishment
De Koning Boudewijn Stichting (KBS) bezit een kapitaal van meer dan 200 miljoen euro. Dat levert intresten op. Daarnaast ontvangt de KBS jaarlijks schenkingen (bijvoorbeeld 12,2 miljoen euro van Nationale Lotterij in 2004) zodat de KBS kan werken met een jaarbudget van ruim 40 miljoen euro. De KBS is een conglomeraat bestaande uit meer dan 200 comité’s, jury’s en regionale afdelingen.
De argeloze bevolking denkt dat de KBS aan “goede werken” doet, maar de werkelijkheid is anders. De KBS is een instrument dat erop gericht is Vlaanderen onder de knoet te houden. Zo heeft de KBS een aantal provinciale steunraden en streekfondsen voor lokale ontwikkeling. Eigenaardig genoeg bestaan die uitsluitend in Vlaanderen. Een beetje vreemd dat lokale ontwikkeling in Wallonië door de KBS niet wordt gestimuleerd, is het niet? Totdat men begrijpt dat de voorzitters van dergelijke fondsen Vlaamse prominenten zijn die vanwege de KBS op diverse voordelen kunnen rekenen: reisjes, onkostenvergoedingen, soms zelfs een auto met chauffeur en een secretaresse, en ontvangsten (samen met de echtgenote) op recepties en diners in het koninklijk paleis.
De KBS heeft een zeer specifieke taak. De organisatie maakt deel uit van de constructie die het Belgische regime heeft opgezet om elke ontluikende elitevorming in Vlaanderen te verhinderen door iedere maatschappelijke bovenlaag die er zich ontwikkelt onmiddellijk in te kapselen in de belgicistische bovenlaag van het regime. Dit perfide mechanisme wordt haarscherp beschreven door Joost Ballegeer in De Vlamingen: een volk zonder bovenlaag” zopas verschenen bij Groeninghe (een kleine en marginale Kortrijkse uitgeverij die moedig de rol probeert te vervullen die uitgeverij Lannoo destijds vervulde).
Terecht noemt Ballegeer het monddood maken van de elite “het meest geraffineerde, maar ook verschrikkelijkste wat men een volk kan aandoen.” De elite is een groep die de staat draagt en die zich vereenzelvigt met de staat. In België is alles erop gericht om te verhinderen dat er een groep ontstaat die de elite van een Vlaamse staat zou kunnen worden.
België heeft in zijn 175-jarige geschiedenis drie misdadige repressies doorgevoerd om de Vlaamse elite (soms zelfs fysiek) te elimineren: in 1830-31, 1918-19 en 1944-48. Telkens werd van een oorlogssituatie misbruik gemaakt om de hele Vlaamse bovenlaag aan te pakken, ook diegenen die niets anders misdaan hadden dan tot deze ontluikende bovenlaag te behoren.
Tijdens de voorbije halve eeuw kon België zo’n kans tot grootschalige repressie niet meer benutten. Ballegeer legt uit hoe het regime er desondanks toch in slaagde de Vlamingen te doen evolueren van machtsonthouding in de jaren zestig naar machteloosheid vandaag.
Hij beschrijft hoe een “kleine loge” van vijf man de Flamenpolitik van het Belgische establishment heeft uitgewerkt. Al klinken een paar namen Vlaams, het zijn zonder uitzondering vijf leden van het adellijke francofone establishment: Etienne Davignon, Jacques van Ypersele (de kabinetchef van de koning), Maurice Lippens, Daniel Janssen en Georges Jacobs. De vijf worden bijgestaan door vlijtige Vlaamse loopjongens zoals Jean-Pierre De Bandt en Paul Buysse.
Het klinkt op het eerste zicht als een samenzweringstheorie, maar Ballegeers bewijsvoering is erg overtuigend. De auteur, die met een aantal van de betrokkenen ging praten, verhaalt hoe het netwerk van de “kleine loge” alle structuren die de Vlaamse elite de voorbije eeuw moeizaam had opgebouwd succesvol heeft ontmanteld of ingekapseld in het belgicistische establishment: van de uitgeverij Lannoo tot de krant De Standaard, van het culturele tijdschrift Ons Erfdeel tot de Vlerick School, van de Kredietbank tot het VEV. De Vlaamse ondergang was geen noodlot, dit gebeurde niet zomaar, dit was gepland.
Ballegeer vernam uit de mond van Davignon zelfs wat diens volgende prooi moet worden: het weekblad Trends, een van de weinige obstakels die de belgicistische strategen nog een doorn in het oog zijn. Om na het nakende vertrek van Frans Crols Trends te kunnen inpalmen, werd de dochter van Jacques van Ypersele op de redactie van het Franstalige zusterblad Trends-Tendances binnengebracht, kwam de koning op bezoek op de redacties toen Roularta 50 jaar bestond en werd Rik De Nolf, samen met de andere Vlaamse mediamagnaat Christian Van Thillo, opgenomen in de prestigieuze Brusselse Club de Lorraine.
Ballegeer verhaalt in zijn boek hoe gemakkelijk het voor establishment was om zelfs Vlaamsgezinden te recupereren. Een elite die zich ontwikkelt, gaat door een parvenu-faze, zo legt hij uit. Ijdelheid speelt dan een grote rol. André Leysen spreekt vandaag Frans met zijn kleinkinderen (al zou Leysen – die met elk regime collaboreert – met hetzelfde gemak Duits gesproken hebben als de geschiedenis enigzins anders was gelopen); Godfried Lannoo laat zijn kleinkinderen eveneens verfransen; de vrouw van Dirk Frimout liet, nadat haar man in de adel was verheven, haar mooie Vlaamse voornaam Godelieve officieel veranderen in Laurence; de echtgenote van wijlen Paul Janssen (Janssen Pharmaceutica), Theodora Arts, zelf afkomstig uit een Vlaamsgezinde familie, kon haar zoon inhuwen in de adel en vertoeft bij voorkeur in mondaine belgicistische kringen.
Ballegeers boek is ook ontluisterend voor de meeste Vlaamse politici zoals Willy De Clercq, Mark Eyskens, Herman De Croo, Willy Claes, Jean-Luc Dehaene. Liever dan de Vlaamse elite te worden, waren zij de mestkevers van het Belgische regime.
Sommigen hadden iets meer zelfrespect, zoals Wilfried Martens, Leo Tindemans en Karel Van Miert – drie Vlaamse politici waarover een lid van het establishment neerbuigend verklaart dat zij “niet tot onze kringen behoren.” En voorts vertelt Ballegeer ook hoe de politieke carrière van Luc Van den Brande door het Hof opzettelijk gebroken werd omdat die als te flamingantisch werd beschouwd. Ook hier ging het om een vooraf uitgewerkt plan, waarin van Ypersele en Dehaene een sleutelrol speelden.
Paul Belien
Bron: The Brussels Journal - 18/11/2005
