Migranten die naar Nederland willen, moeten vanaf maart in hun land van herkomst een inburgeringsexamen afleggen. Een meerderheid van de Nederlandse Tweede Kamer gaf minister Rita Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) donderdag het groene licht om met de toets te beginnen, zolang de kandidaten niet de dupe worden van de kinderziekten die zich daarbij nog zullen voordoen.
Nu zijn veel huwelijksmigranten niet goed voorbereid op een leven in de Nederlandse samenleving. De verplichte inburgering in het buitenland dwingt hen om zich daar al in het thuisland op voor te bereiden. Ze moeten op een ambassade of consulaat een examen gaan afleggen dat de kennis van de Nederlandse taal en samenleving toetst. Dat gebeurt in het Nederlands via een telefonische verbinding met een computer met spraakherkenning.
Over de kwaliteit en betrouwbaarheid van die nieuwe technologie (phonepass-systeem) lopen de meningen van deskundigen uiteen. Maar Verdonk besliste op basis van een advies van onderzoeksinstituut TNO het systeem alvast in te voeren. Volgens haar zijn er inmiddels voldoende waarborgen om ermee te beginnen.
De Eerste Kamer (de Senaat) had in december al ingestemd met de inburgeringstoets. Migranten die ervoor zijn geslaagd, moeten eenmaal in Nederland nog een zwaarder inburgeringsexamen halen.



