De genocide van 1994 in Rwanda werd gepland. Dat stelde René Degni-Segui, de speciale rapporteur van de VN-Mensenrechtencommissie, voor het Brusselse assisenhof. Volgens de man maakte het vermoorden van de Belgische blauwhelmen deel uit van het plan.
“De tien Belgische blauwhelmen doden was een test, een proefballon, om de reactie van de internationale gemeenschap te zien”, aldus Degni-Segui. Volgens de rapporteur zou het mogelijk geweest zijn, als de internationale gemeenschap gereageerd had en niet alle blauwhelmen had teruggetrokken, “de genocide af te remmen of te beperken, zoniet te stoppen”.
Degni-Segui meent dat van een genocide kan worden gesproken, omdat een groep geviseerd werd. Hij haalde een document van september 1992 van de Rwandese legerleiding aan dat zegt dat de Tutsi’s en de Hutu’s die hun etnische groep verraadden, de grootste vijand zijn.
Toen de beschuldigde, Bernard Ntuyahaga, werd gevraagd of hij van het bestaan van zo’n document afwist, zei hij dat hij niet wilde antwoorden op die vraag. De advocaat van de ex-majoor gaf hem namelijk de raad niet te antwoorden op de vragen voor het einde van alle getuigenissen.
Degni-Segui legde de nadruk op de ideologische voorbereiding van de bevolking op de genocide en op haar begeleiding en training door militairen. Volgens de rapporteur was de aanslag tegen het presidentieel vliegtuig op 6 april 1994 de ideale aanleiding om de volkerenmoord te doen losbarsten.
De rapporteur bevestigde dat hij het over een genocide had vanaf zijn rapporten van juni 1994, terwijl de VN-Mensenrechtencommissie het slechts over “daden van genocide” had. Dat deed hij in antwoord op vragen van Luc De Temmerman, de advocaat van Ntuyahaga.




(1 votes, average: 4 out of 5)